M. Nijhoff

Martinus Nijhoff (1894-1953) studeerde rechten en later Nederlands en debuteerde als dichter in 1916 met de bundel De wandelaar. Zijn gedichten beschrijven in heldere taal op het oog alledaagse dingen en gebeurtenissen, waarin hij vaak complexe, existentiële vragen weergeeft. Nijhoff streefde heel bewust naar eenvoud in het poëtisch taalgebruik, zonder zich los te maken van klassieke vormregels.

Belangrijke grote gedichten zijn Awater (1934) en Het uur U (1936/37) waarin Nijhoff op een bijzondere manier het mysterie achter de werkelijkheid beschrijft. Nijhoff is ook een belangrijk vertaler, de belangrijkste Nederlandse vertaalprijs is dan ook kort na zijn dood naar hem vernoemd: de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.

In 1924 verscheen de bundel Vormen waaruit het gedicht ‘De wolken’ komt.

Martinus Nijhoff – De wolken

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder –
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

– Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide –

Uit: Verzamelde gedichten (1990). Oorspronkelijk uit Vormen (1924).

Het gedicht bestaat uit vier kwatrijnen met omarmend rijm. Typisch Nijhoffmotieven als het terugverlangen naar het kind-zijn en  de moederfiguur spelen een belangrijke rol in het gedicht. In de eerste twee kwatrijnen is de ik-figuur zelf een kleine jongen die met zijn moeder op de hei naar de wolken ligt te kijken. In de laatste twee kwatrijnen is de ik-figuur volwassen, in de laatste strofe heeft hij zelf een zoon. Nijhoff was in 1916 getrouwd en had een zoontje.

Een uitgebreide, soms tamelijk ver gaande, bespreking van dit gedicht door Kees ’t Hart staat hier.