Cornelis van der Wal

Cornelis van der Wal – Een mooie regel

De wolken glazenwassen Gods sterrenkijker,
dat vond het mannetje wel een mooie regel.
Ja, het mannetje wilde graag dichter worden,

hij liep al over straat met een schrift
en keek met artistieke ogen in het rond.
Het uilenbord kan z’n ei niet kwijt en blinde ogen

stampen door bloed van een stervende zon.
Tranen waren dichtbij toen hij deze woorden
gratis doorkreeg van de hogere machten…

Dichters die drinken veel en zijn aan de drugs,
dus het mannetje ging naar coffeeshop en kroeg.

Niet vergeten dat hij eenzaam wezen moest!

uit: Zonderlinge kruising tussen aap en priester, De Contrabas Tweetalig/Nijmegen, BnM Uitgevers, 2006. Het Friestalige origineel ‘In moaie rigel’ komt oorspronkelijk uit Subsydzje foar de graal, 2003. De vertaling is van Jabik Veenbaas.

Cornelis van der Wal

Cornelis van der Wal (1956), Fries dichter, debuteerde in 1991 met de bundel In nêst jonge magneten. In 1993 ontving hij hiervoor de Fedde Schurerpriis voor debutanten. In 1997 kwam zijn tweede dichtbundel uit: Sinnestriel op it Offermês. In dat jaar was Van der Wal tevens deelnemer aan Poetry International. In 1998 bracht hij enkele dagen in de cel door, vanwege een bommelding uit protest tegen het vieren van Fryslân 500, wat hij verwerkte in zijn novelle Kening Kees (2008). In 2016 verscheen zijn zevende dichtbundel Wolf yn harnas..

Zo nu en dan duikt er in de gedichten van Cornelis van der Wal een ‘mannetje’ op. In Sinnestriel op it offermês (1997) loopt dat mannetje door twee gedichten. In ‘It mantsje’ zit zijn hoofd aan de hemel vast en zingt hij een versje over een aap, terwijl hij gedachteloos over straat loopt. In ‘Each en sipel’ loopt hij ook over straat, maar hij wordt opgepakt en gemarteld. In ‘In moaie rigel’ (‘Een mooie regel’) in Subsydzje foar de graal (2003) wil het mannetje dichter worden. Daarom loopt hij over straat met een schrift en bezoekt hij coffeeshop en kroeg, want dat zijn de plekken waar een dichter komt. Het is een ironisch beschreven mannetje, dat geen vlieg kwaad lijkt te kunnen doen. Totdat men echter te ver gaat: als, in een ander gedicht, hem een reis naar de zon beloofd wordt, accepteert het mannetje niet dat het vliegtuig weer gaat dalen voordat hij de zon bereikt heeft. Hij pakt uit zijn tas een machinegeweer en eist een enkele reis omhoog.

Behalve een fikse dosis ironie en vleugjes maatschappijkritiek bevatten deze gedichten ook nogal wat surrealistische trekjes door het gebruik van hyperbolen en niet-alledaagse beelden. In de bundel Hûn oan ‘ e himel is het ‘mannetje’ een ‘dichtertje’ geworden; een diep teleurgestelde dichter, dat wel, want hij heeft de zo felbegeerde ‘Tammingaprijs’ niet gekregen.

Het gedicht ‘Een mooie regel’

Guus Middag schrijft:
‘Een mooie regel,’ las ik, toen ik het boek* opensloeg. Het was de titel van een gedicht. Het begon zo: ‘De wolken glazenwassen Gods sterrekijker, / dat vond het mannetje wel een mooie regel.’

Ik ook, al weet ik niet eens helemaal zeker of ik hem begrijp. Ik stel me voor dat met Gods sterrenkijker de maan is bedoeld: de ronde vorm is het uiteinde van een denkbeeldige telescoop waarmee God ergens boven ons in zijn eigen heelal naar de sterren kijkt.

Richt hij zijn kijker op ons, dan zien wij de vollemaanvormige lens ervan.

Soms zien we de maan niet goed. Dan is het nevelig, of bewolkt. Als de wolken dan voor de maan wegtrekken is het net alsof er een spons over het glas heen en weer gaat en, als de wolk weg is, de maan schoon en streeploos achterlaat.

Een eigenaardig beeld, ook nog eens eigenaardig geformuleerd, met dat rare werkwoord ‘glazenwassen’ dat nooit op deze manier (ik glazenwas, jij glazenwast, de wolken glazenwassen) gebruikt wordt.

We kunnen ons voorstellen dat het mannetje ermee in zijn schik was. En dus ook dat ‘het mannetje graag dichter wilde worden’. Hoe doe je dat? ‘Hij liep al over straat met een schrift / en keek met artistieke ogen in het rond.’

Dan kan je, als je geluk hebt, de mooiste dingen zien. ‘Het uilenbord is ongedurig** en blinde goden / stampen door bloed van een stervende zon.’ Kosmische praat valt ons mannetje in. Bij het bloed van een stervende zon zien we een zonsondergang, maar wat doen die blinde goden erbij, en wat is een uilenbord ook alweer? Een uilenbord, of oelebord, is een klein driehoekig raam van een dakschild, verticaal aangebracht, veelal geornamenteerd en derhalve dienend als versiering, typisch voor Friese boerderijen, leert het woordenboek.

En zo’n klein driehoekig dakschildraam zou ongedurig worden?

Het kan. Alles kan bij een pas geboren dichter. Hij moet er zelf bijna van huilen, van zoveel inspiratie die hem toevalt zonder dat hij ervoor hoeft te betalen: ‘Tranen waren dichtbij toen hij deze woorden / gratis doorkreeg van de hogere machten…’

Het mannetje gedraagt zich een beetje als de jonge dichter in het gedicht van Gerrit Komrij, die net een briefje heeft ontvangen van een letterkundig tijdschrift waarin hem meegedeeld wordt dat het blad ‘eerdaags’ enige van zijn verzen zal plaatsen. ‘Heel zijn leven werd nu anders. / Hij ging doen alsof hij grote / mensen hoogstpersoonlijk kende.’ Het gedicht is tot hier een prozaïsch geval, zonder rijm, maar dat gaat nu opeens veranderen: ‘Hij zei stad wanneer jij blad zei. / Hij zei held wanneer jij speld zei. / Hij zei ach wanneer jij dag zei. / En daarvan wilde hij leven!’

Ook hier wordt de geboorte van een dichter beschreven, en ook hier gaat dat met lichte spot gepaard. Ook ons mannetje weet precies hoe hij zich moet gedragen, nu hij door de hogere machten tot dichter is geslagen: ‘Dichters die drinken veel en zijn aan de drugs, / dus het mannetje ging naar coffeeshop en kroeg.’ Het is helemaal volgens het boekje. ‘Niet vergeten dat hij eenzaam wezen moest!’ houdt hij zichzelf in de slotregel voor. Dichters horen eenzaam te zijn, dus daar moet een beginner goed zijn best voor doen.

Ik kwam deze regels tegen in Droom in blauwe regenjas, een bloemlezing uit het werk van 23 jonge Friese dichters. ‘In moaie rigel’ is een gedicht van Cornelis van der Wal (1956), die tot nu toe vier bundels schreef, in het Fries. Hij is opgenomen met zes gedichten. Hij heeft dus meer geschreven dan die 1 à 2 toevallig goed gelukte mooie regels die de hogere machten hem gratis aanreikten.

Een vlotte bouwer van sonnetten is hij niet, en ook geen zanger van lange lyrische ontboezemingen. Hij is eerder rafelig, roestig, hortend en stotend.

Bijvoorbeeld zo: ‘Daar is de zon, hier is de ruit / ik kus mijn heilige buik.’ Zo gaat het verder: ‘Eten en drinken moet mijn tijdelijk lijf / en mijn slurfje is weer stijf.’ Het klinkt grappig, als de dagdroom van een levensgenieter, maar daarop volgt dan deze lugubere waarneming: ‘Achter de wolken trillen schuwe ruimteschepen, / daar wachten onze broeders, met vreemde koppen.’

Het geheel heet dan wel leuk ‘Mijn slurfje in de ruimte’, maar er hangt een dreigende sfeer omheen.

Is dit het wereldbeeld van iemand die zich vervreemd voelt? Is het een angstige droom, een visioen, een geval van dronkemanswaanzin? In ‘Romance’ vertelt Van der Wal over de zware kater en het geheugenverlies nadat hij de avond tevoren stomdronken de kroeg is uitgelopen. De volgende dag zijn ze ‘in mijn waterhoofd […] aan het dreggen naar jouw adres.’ Grappig, om juist dan van een waterhoofd te spreken.

Vreemd, de gewaarwording dat niet hijzelf, maar anderen in zijn geheugen aan het graven zijn.

Voor dit soort associaties heeft Van der Wal veel gevoel. Er zit altijd wat kortsluiting tussen zijn beelden.

Uit een recensie van Guus Middag in NRC 01-07-2005

*Droom in blauwe regenjas. Een keuze uit de nieuwe Friese poëzie sinds 1990 . Samenstellers Tsead Bruinja en Hein Jaap Hilarides. Uitgeverij Contact / Utjouwerij Bornmeer, 2004. 160 blz. € 25,-. Overgenomen van de weblog van Cornelis van der Wal.

**”Het uilenbord kan z’n ei niet kwijt” vertaalde Jabik Veenbaas later voor de tweetalige bloemlezing Zonderlinge kruising tussen aap en priester. In het Fries staat er: “It ûleboerd is aaisiik”. De dichter las het gedicht in het Fries en het Nederlands voor tijdens het VPRO-radioprogramma ‘De avonden’ en gaf er, ook na vragen van de interviewer, een toelichting bij. Hij zegt daarin onder andere dat hij de vertaling ‘Het uilenbord is ongedurig’ niet zo goed vindt. Mogelijk dat Veenbaas daarom de vertaling wat letterlijker gemaakt heeft. Aardig is ook dat Jelle zelf in een bespreking van Zonderlinge kruising tussen aap en priester opmerkt: “De Nederlandse vertalingen van Veenbaas zijn to the point en doen goed recht aan de oorspronkelijke gedichten, al is het fantasierijke Fries dat Van der Wal soms hanteert niet altijd even makkelijk in het Nederlands om te zetten.”
Luister hier naar het radiofragment (de Friese tekst staat daar ook).