Gerrit Achterberg

Gerrit Achterberg – Watersnood

Beelden van Zadkine stonden moeders daar
babies boven de springvloed uit te beuren.
Zonen zagen hun vaders medesleuren;
wat wordt een ouder in je handen zwaar;
de schuren van de boerderijen scheuren.
Ratten en mensen klommen door elkaar.
Een kind zat om haar dode pop te zeuren
en was het ogenbliklijk zelf nog maar.

Het water steeg tegen het vee omhoog.
De koppen groeiden van geluid en dood.
Het wurgde zich; de balg ondersteboven.
Kippen vlogen als sneeuw de golven over.

Padvinders vonden later, vals en droog,
katten in bomen; een portret, een brood.

(uit: Verzamelde gedichten, 9e dr., Amsterdam, E.M. Querido’s Uitgeverij, 1985; oorspr. uit Spel van de wilde jacht, 1957)

Gerrit Achterberg

Een uitstekende korte biografie van Achterberg staat hier (1905-1937) en hier (1938-1962).

Het gedicht ‘Watersnood’ van Gerrit Achterberg

Een van de meest traumatische gebeurtenissen van ‘na de oorlog’ is lange tijd de watersnoodramp van achterberg - zadkine1953 geweest. Het gedicht ‘Watersnood’ van Gerrit Achterberg beschrijft dat trauma heel precies.
De beginregels van Achterbergs gedicht zijn direct al erg beeldend, ook door de speciale vorm van beeldspraak. Deze beginregels zijn het klassieke voorbeeld van de asyndetische vergelijking. Het ‘beelden van Zadkine’ verwijst naar de beeldhouwwerken van de beeldhouwer Zadkine die onder andere in ‘De verwoeste stad‘ de menselijke wanhoop verbeeldde.
Het gedicht is een sonnet. De veertien regels zijn hier verdeeld over een octaaf (strofe van acht regels), een kwatrijn (strofe van vier regels) en een distichon (strofe van twee regels).