Gerrit Komrij

Gerrit Komrij (1944) dichter, schrijver, vertaler en criticus, was van 2000 tot 2004 Dichter des Vaderlands. In 1979 publiceerde hij de eerste versie van de bloemlezing ‘De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten’. In 2004 kwam daarvan met talrijke aanvullingen een veertiende editie, met een aangepaste titel: Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten

Oranjekindje
Twee koningskinderen

Oranjekindje

 

Gerrit Komrij – Oranjekindje

Er is een kindje. Iedereen is blij.
Katrien is blij. Truus is zelfs in de wolken.
Want kindjes zijn onschuldig en, daarbij,
Ze hebben Mabel nu genoeg gemolken.

Goed dat Oranje weer een wedstrijd wint.
De hele intellectuelenkliek
Valt stil, doodstil, door toedoen van een kind.
Baar, baar en op de vlucht slaat de kritiek.

Als dichter moet ik nu mijn zegje doen.
Welaan, ik geef het kind een dikke zoen
En zeg u dit: als uw gejuich oprecht is,

Zorg dat het kind een leven krijgt dat echt is,
Gun het een stem, een hart, een eigen pad –
En schop de monarchie onder haar gat.

uit: NRC Handelsblad, 8 december 2003)

Het gedicht ‘Oranjekindje’ 

Dit was het laatste van de twaalf gedichten die Komrij schreef als Dichter des Vaderlands en werd gepubliceerd in NRCHandelsblad van 8 december 2003. Hij schreef het ter gelegenheid van de geboorte van prinses Catharina-Amalia, de oudste dochter van prins Willem Alexander en Máxima die een dag eerder geboren was.

Twee koningskinderen

 

Gerrit Komrij – Twee koningskinderen 

Als alle mensen op hun handen liepen
En ankers bleven drijven op de Rijn,
Als oesters ongehoorde dingen riepen
En naalden ons doorstaken zonder pijn,

Als kangoeroes in hemelbedden sliepen
En mummies konden zingen in hun schrijn,
Als piramides soepel zouden zwiepen
en modderbaden geurden naar jasmijn,

Als reuzen gingen zwemmen in ’t ondiepe
En er geen einde kwam aan dit refrein,
Dan hoorde ik een raamkozijn zacht piepen
En kuste jij me, dwars door het gordijn.

uit: Alle gedichten tot gisteren, 1994; oorspronkelijk uit De os op de klokkentoren (1982)

Het gedicht ‘Twee koningskinderen’

In de bundel De os op de klokketoren is het motief van de antipode of ‘verkeerde wereld’ door Komrij grondig uitgewerkt. In deze bundel wordt langzaam maar zeker naar een volledige verdwijning van de wereld toegewerkt, een wereld die eerst zowat in zijn eigen tegendeel verkeert. Aan het slot van de bundel komt de lezer dan ook uit bij het gedicht ‘Begin’, met onder andere de zin “Wat onder was werd boven”. In het eerste gedicht had al gestaan: “De zee is droog. Het vasteland is nat.” In deze bundel worden jongens beschreven als rottende lijken, is de liefde tussen man en vrouw niets meer dan “schurft op eczeem”, ligt de gaafheid in het gebrokene, verdwijnt de “ik”-persoon uit beeld terwijl hij er juist prominent in optreedt. In deze bundel beschrijft Komrij voor het eerst de wens om te verdwijnen, onzichtbaar te zijn, een staat van geluk, waar hij in de gedichten uit de jaren negentig op terug zal komen door middel van het dubbelgangersmotief. Ook in ‘Twee koningskinderen’ wordt alles omgedraaid, zoals ankers die blijven drijven op de Rijn, en die omkering wordt nog even doorgezet: als alles anders kan, kan het met twee koningskinderen ook beter aflopen dan in de middeleeuwse ballade Van twee koningskinderen.

Voor de bundel De os op de klokketoren kreeg Komrij de Herman Gorterprijs.