Hans Andreus

Hans Andreus (1926-1977) – pseudoniem van Johan Wilhelm van der Zant – debuteerde in 1951 met de dichtbundel Muziek voor Kijkdieren. Hij schreef naast poëzie, proza en hoorspelen ook kinderboeken. Terugkerende thema’s in zijn werk zijn ‘de identiteit van het ik’ en het licht (als de bron van alle leven). Hij wordt wel tot de Vijftigers gerekend. Schreef sensitieve, veelal toegankelijke poëzie. Zijn bundel De sonnetten van de kleine waanzin (1957) verwierf grote bekendheid. In 1995 verscheen de biografie Hans Andreus geschreven door Jan van der Vegt.

Meer weten over de biografie van Hans Andreus van Jan van der Vegt: klik hier.

Voor een dag van morgen
Liggen in de zon
Het lied van de zwarte kater
Sonnet 39

Hans Andreus – Voor een dag van morgen

Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
dat jong genoeg is om het te begrijpen.

Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad,
hoe lief ik je had.

Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man alleen maar een vrouw,
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.

uit: Verzamelde gedichten, 3e dr, Uitgeverij Bert Bakker, 1985; oorspr. uit Al ben ik een reiziger, 1959)

Het gedicht ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus

Het gedicht ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus werd in 1997 door ‘De Dijk’ gezongen op hun CD ‘De stand van de maan’ (te beluisteren via You Tube). Uiteraard met een andere melodie dan die van Hoed en de Rand.

In 2000 stond het gedicht op de zevende plaats tijdens de verkiezing van het ‘meest favoriete gedicht’ naar aanleiding van de eerste Landelijke Gedichtendag op 27 januari 2000. ‘Voor een dag van morgen’, werd in 2005 als beste Nederlandstalig gedicht gekozen.

Het is een ‘modern’ gedicht, omdat de strofes niet even lang zijn. Ook bij de regellengtes zijn er enkele uitschieters. Er is geen sprake van eindrijm (behalve in ‘Vertel het aan de stad / Hoe lief ik je had), maar wel weer normaal gebruik van de leestekens. Het gedicht gaat over het ‘houden van’, dat zo sterk is, dat niemand het zal begrijpen, behalve de wind, de dieren, de stad… Een zeer negatieve bespreking van dit gedicht staat hier.

Hans Andreus – Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

uit: Verzamelde gedichten, 3e dr, Uitgeverij Bert Bakker, 1985; oorspr. uit: Muziek voor kijkdieren, 1951)

Een mooie bespreking van dit gedicht staat op Meander-Klassieken. Een kleine toevoeging daarbij: de recensent zegt dat de eerste strofe ‘erg zintuiglijk gericht is’. Dat klopt, en wel op een aparte manier: ‘Ik hoor het licht’ zijn de eerste woorden. Dat is een prachtig voorbeeld van een synesthesie.

Hans Andreus  had ook succes met het schrijven van proza en poëzie voor kinderen. Eén van die kindergedichten is ‘Het lied van de zwarte kater’.

Hans Andreus – Het lied van de zwarte kater

Ik ben de kat Hieronymus
of eigenlijk de kater.
Ik ben geen zachte, lieve poes,
geen dot, geen schat, geen lieve snoes,
ik ben een mensenhater.

Mauw, maaauw, máááuw!

Wanneer je me soms aaien wil,
bedenk je dan maar tijdig.
Mijn snorren staan steeds recht omhoog
en toegeknepen is mijn oog,
want ik ben altijd nijdig.

Mauw, maaauw, máááuw!

Helaas, de tijd waarin ik leef,
dat is voor mij een slechte.
Wanneer ik vroeger had bestaan,
was ik in dienst bij een heks gegaan,
een onvervalste echte!

Mauw, maaauw, máááuw!

uit: Waarom daarom, 1967

In 1957 publiceerde Andreus zijn fameuze bundel Sonnetten van de kleine waanzin. Hoed en de Rand zette daaruit twee gedichten op muziek voor de boekenweek van 2015 die als thema ‘waanzin’ had. Eén daarvan is ‘Sonnet 39’.

Hans Andreus – Sonnet 39hans andreus - sonnetten

Herinner mij. Ik heb mij neergeschreven
op de rand van het nu en daarna en toen,
omdat ik niet anders kon, wilde doen
en ik leven moest, het uitriep van leven.

Vergeet mij — want die het schrijft is het niet
en wat hij schrijft laat niet los van zijn vingers
dan ondanks hemzelf. Er is niets geringers
dan een mens en iets beters is er niet.

Dubbele tong. En daarin de waanzin
en de zin, het haast onuitspreekbaar tasten,
onderwoords aftasten van een begin-

nend geluk, geluk waar? Overal waar ik
doodga aan ik, leef door mij niet meer vast te
houden, — hier: in het aards en ruimtelijk

vuur, — hier: in het vogelvrij ogenblik.

uit: Sonnetten van de kleine waanzin (1957)