J.C. Bloem

Ondanks zijn beknopte oeuvre is J.C. Bloem (1887-1966) een van de belangrijkste dichters van zijn generatie, de zogenaamde generatie van 1910, die zich bewoog rond het tijdschrift De Beweging van hun leermeester Albert Verwey. Daarnaast is Bloem belangrijk vanwege zijn al even beknopte, maar hoogwaardige essayistische werk. Tijdens zijn leven ontving Bloem in 1949 de Constatijn Huygensprijs, in 1952 de P.C. Hooftprijs en in 1965 de Prijs der Nederlandse Letteren. Hij debuteerde in 1921 met de bundel Het verlangen.

Een korte biografie van J.C. Bloem staat hier.

J.C. Bloem – De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Verregend, op een miezerige morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

uit: Verzamelde gedichten, 3e herz. dr, Amsterdam, Atheneum – Polak & Van Gennep, 1968; oorspr. uit:Quiet though sad, 1946)

Het gedicht ‘De Dapperstraat’ van J.C. Bloem

De Dapperstraat is een straat in Amsterdam-Oost, waar iedere week de markt (de Dappermarkt) plaats vindt. De schrijver schrijft over de tegenstelling tussen stad en land. In de eerste strofe van het gedicht beschrijft hij de natuur, in de tweede beschrijft hij de stad. De eerste twee strofen vormen dus een tegenstelling. Daarna komt een wending in het gedicht en beschrijft hij hoe gelukkig hij is in de Dapperstraat. De natuur vindt hij minderwaardig. Het is dan ook bedoeld voor de tevredenen en de mensen die niet denken. Het stelt ook allemaal niet zo veel voor vindt hij. Hij versterkt dit effect door een eufemisme te gebruiken, namelijk: ‘Een stukje bos ter grootte van een krant.’ Dit alles in tegenstelling tot de stad, waar je de wolken over ziet waaien, ingekaderd door een zolderraam. En waar je grauwe wegen hebt, en kaden vastgeklonken aan de waterkant. Hieruit zie je de liefde van de schrijver voor de stad. Het zijn allemaal typische kenmerken van de stad, waar hij zo van houdt. Ten slotte komt zijn liefde voor de stad, en met name de Dapperstraat, naar voren in de regels waarin hij zomaar op een miezerige morgen gelukkig kan zijn in de Dapperstraat.

Het gedicht is een sonnet. Een sonnet bestaat meestal uit twee kwatrijnen (samen een octaaf) en daarna twee terzinen (samen een sextet). Na het octaaf komt er vaak een wending in het gedicht. Ook hier is dit het geval. Het octaaf heft als rijmschema A-B-B-A en A-B-B-A. Daarna komen twee terzinen die samen een sextet vormen met het rijmschema C-D-E en C-D-E.

Meer over ‘De Dapperstraat’ hier.