Jean Pierre Rawie

Jean Pierre Rawie (1951) is dichter en vertaler. Hij studeerde Slavische en Romaanse talen. Rawie debuteerde in 1976 en heeft een stuk of tien behoorlijk goed verkopende dichtbundels uitgebracht. Zijn eerste werken behoren deels tot het genre van de ‘light verse’ net als die van zijn inmiddels overleden vriend Driek van Wissen.

Jean Pierre Rawie – Ursa Minor I

De hemelboog wordt sedert weken
slechts door jouw sterrenbeeld beheerst,
en of ik nimmer had gekeken
zie ik de wereld voor het eerst.

Ik heb de straten en de stegen
waarvan ik elke tegel weet
om jouwentwille liefgekregen
en met betekenis bekleed.

En alle nooit van mij geweken
en steeds ondragelijker druk
verliest zijn dreiging vergeleken
met dit onmogelijk geluk.

Wat is geweest is om het even,
wat wordt van geen belang, zolang
ik zulke liefde nog kan geven
en zulke liefde nog ontvang.

Ik weet niet of dit nieuwe teken
mijn noodlot wel of niet vervult,
maar hart, ik sta voor deze weken
voor eeuwig bij je in de schuld.

Uit: Onmogelijk geluk (1992)

Over het gedicht ‘Ursa minor I’

Dit gedicht heet ‘Ursa Minor I’ omdat er nog een tweede gedicht met de titel ‘Ursa Minor’ in de bundel Onmogelijk geluk staat. Ursa Minor is de naam van het sterrenbeeld de Kleine Beer. Het gedicht is in 1994 in een oplage van 500 exemplaren als facsimile van het handschrift door de Volkskrant uitgegeven.

Rawie streeft in zijn gedichten naar perfectie, bijvoorbeeld op metrisch gebied. Dat wil zeggen dat er een zekere regelmaat in zijn versregels zit. In dit gedicht wisselt hij vrij regelmatig beklemtoonde met onbeklemtoonde lettergrepen af. Rawies taalgebruik is vaak wat archaïsch(ouderwets). Dat blijkt in dit gedicht uit een zinsnede als ‘om jouwentwille’. En verder is het natuurlijk opvallend dat deze dichter, die bij uitstek allerlei mislukkingen in de liefde heeft beschreven, het hier heeft over liefdesgeluk. ‘Onmogelijk geluk’, dat dan weer wel.

Het gedicht is ook hier te vinden met een aantal (schoolse) opdrachten erbij.


Jean Pierre Rawie – Madenballade

De laatste snik, het uitvaartritueel,
de al dan niet bedroefde nabestaanden –
doch verder lijkt er niet zo bijster veel
meer in en om de verse groeve gaande.

Maar schijn bedriegt: als wij er zijn geweest
en afgelegd zijn in een witte wade,
begint het pas, het eigenlijke feest
voor de op ons karkas beluste maden.

Er is nog heel wat leven ondergronds,
als wij tot slot voorgoed de ogen sluiten:
de maden lusten wel gehakt van ons,
zij kennen ons van binnen en van buiten.

Waar eens gedacht werd en waar werd gevoeld,
waar eens gestreefd werd naar de grootste daden,
niets blijft ervan dan dat het er krioelt
van vette onverzadigbare maden.

Het hart dat klopte voor een lieve vrouw,
de hersens die ons niets dan zorgen gaven,
de maden lusten heel die troep wel rauw
nadat men ons vakkundig heeft begraven.

Wat ik hier zing is akelig en naar,
want allen wacht hetzelfde lot ten leste.
– Ook maden moeten leven weliswaar,
maar misschien is cremeren toch het beste.

Uit: Verzamelde verzen. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 1990; oorspr. uit Oude gedichten, Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 1990)

Het gedicht ‘Madenballade’

‘Madenballade’ behoort tot het vroege werk van Rawie. In dat vroege werk is hij duidelijk verwant aan de negentiende-eeuwse dichter Piet Paaltjens. Net als bij Paaltjens ligt de ironie, gevoed door sterke overdrijvingen, er dik bovenop. Zo slaagt de dichter erin om over een naar onderwerp een geestig gedicht te maken. Hoed en de Rand heeft er dan ook een stevig vrolijke melodie achter gezet.