Marjolein Kool

Marjolein Kool (1958) behaalde in 1976 haar VWO-B-diploma aan het Bonifatiuscollege te Utrecht. Na een lerarenopleiding wiskunde en Nederlands werd ze in 1981 docent wiskunde op een mavo in Amersfoort, waar ze tot 1992 werkte. In 1985 rondde Kool een studie Nederlandse taal- en letterkunde af en in 1999 promoveerde ze op ‘Nederlandstalige rekenboeken uit de vijftiende en zestiende eeuw’. Vanaf 1992 is ze docent rekenen/wiskunde en didactiek aan de Hogeschool Domstad in Utrecht. In 2009 werd ze ook projectleider Nationale Oefenimpuls voor rekenen bij het Freudenthal Instituut van de Universiteit Utrecht en werd ze lid van rekencommissie Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Een tijd lang combineerde ze haar werk met het schrijven van poëzie. Ze publiceerde enkele bundels light verse.

Marjolein Kool – Wintersport

Haar leraar was een spetter die
haar omringde met zijn zorgen
en met haar deed aan après-ski
tot aan de vroege morgen.

Ze gaf zich over, werkte mee
– dat moet want anders val je –
en skiede spoedig naar benee
met zijn armen rond haar taille.

Het afscheid kwam te snel voor hen.
Ze zei: ‘Ik zal je schrijven.
Je bent mijn lat-relatie en
dat zul je altijd blijven.’

Maar vlak nadat zij en haar lat
elkaar ‘tot weerziens’ kusten,
zag zij zijn arm – hoe wreed was dat-
op een nieuwe schouder rusten.

Ach, daarmee was voorgoed passé
wat zo hoopvol was ontloken
en zij moest met de gipsvlucht mee,
want haar hartje was gebroken.

uit: Autowrak & opklapbed, Baarn, Uitgeverij De Fontein, 1993)

Het gedicht ‘Wintersport’

Het is duidelijk dat Marjolein Kool een humoristische hand van dichten heeft. Niet voor niets publiceerde ze een dichtbundel (Wis- en natuurlyriek) in samenwerking met Drs. P. In ‘Wintersport’ vallen niet alleen de creatieve rijmwoorden op (val je / taille) maar ook de woordspelingen.