Paul Lemmens

De dichter Paul Lemmens bestaat al heel lang niet meer, zou je kunnen zeggen. Tot 1990 is Paul Lemmens een pseudoniem (of beter een heteroniem) geweest van Cees van der Pluijm (1954-2014). Van der Pluijm studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, Algemene Literatuurwetenschap en Afrikaans; hij was onder andere dichter, columnist en communicatietrainer. Als Paul Lemmens publiceerde hij voornamelijk light verse.

Paul Lemmens – Tweede inzinking

Is dat nu poëzie? Die flauwe praat,
Op rijm gezet of niet, is dat nu Kunst?
Mijn dichterschap ziet zo geen uitweg meer
En wordt onzeker, panisch, desperaat

Neen – ik wil niet meer dingen naar de gunst
Der Muzen. Voortaan ben ik slechts een heer
Die verzen schrijft die iedereen verstaat
De kunst is vuns, de dichtkunst wel het vunst

Want wat is poëzie? Gekwinkeleer
Van harten die bedroefd zijn? Proza dat
In stukjes is gehakt, vol broze sfeer?

Ik ga nu voor die dingen niet meer plat
Al die poeha, al dat gepretendeer:
De keizer toont te vaak zijn blote gat
uit: Drs. P en Paul Lemmens, Herenspraak, ‘s-Gravenhage, Uitgeverij BZZTôH, 1980

Het gedicht ‘Tweede inzinking’

‘Tweede inzinking’ komt uit de dichtbundel Herenspraak (‘vier dozijn sonnetten’) die Lemmens schreef in samenwerking met Drs. P. Een deel van de gedichten, verscheen oorspronkelijk in het Nijmeegse studentenblad Tegenspraak. In de 24 ‘Tegenspraaksonnetten’ schrijft Drs. P telkens een sonnet, waar Paul Lemmens met een ‘tegensonnet’ op reageert. Bij bundeling van deze sonnetten voegde Drs. P twaalf sonnetten toe als supplement, terwijl Paul Lemmens er twaalf sonnetten aan vooraf liet gaan onder de titel ‘Wat prangt mij de ziel’. Sonnet VII heet ‘Tijdelijke inzinking’ waarin de dichter overdenkt dat de toppen van de roem die dichters als Bloem en Nijhoff haalden voor hem niet weggelegd zijn. Daardoor raakt hij in een dip. Na een gesprek met een criticus (in sonnet VIII ‘Herstel’) herneemt hij zich weer als dichter. In gedicht XI volgt dan een ‘Tweede inzinking’. Dat neemt zijn ‘Definitief herstel’ in gedicht XII, met als eerste kwatrijn:

Poëzie, mijne heren, moet vakmanschap zijn
Een genot voor het oog en het oor
Met een rijm dat verrukt en een metrum dat juicht
Poëzie, mijne heren, moet vakmanschap zijn

In dat sonnet spreekt Paul Lemmens (en dat is niet noodzakelijkerwijs Cees van der Pluijm!) zich nog eens nadrukkelijk uit voor traditionele, ambachtelijke poëzie. Overigens: een nadrukkelijk enjambement, zoals in ‘Tweede inzinking’ een paar keer voorkomt, is blijkbaar wel toegestaan.

Voor een goed begrip van de laatste regel zijn een paar dingen van belang. Ten eerste is die regel een verwijzing naar het bekende sprookje van Andersen: ‘De nieuwe kleren van de keizer’. Ten tweede is het goed om te weten dat de dichter Lucebert wel de ‘Keizer der Vijftigers’ werd genoemd. De Vijftigers, ook wel Beweging van Vijftig was een groep experimentele dichters die in de beginjaren vijftig van de twintigste eeuw veel stof deed opwaaien. in de ‘Tegenspraaksonnetten’ schreef zowel Drs. P als Paul Lemmens een sonnet met als titel ‘De Vijftigers’. Vooral Drs. P. is daarin ondubbelzinnig:

Die Vijftigers… het zij hun graag gegund
Om oote boe te roepen en te schmieren
De oude verstechniek wordt nooit aftands
Zolang je in verstaanbaar Nederlands
Op allerlei vormzuivere manieren
Iets geestigs of verstandigs zeggen kunt