Tsead Bruinja

Tsead Bruinja is een opvallende figuur in poëzieminnend Nederland, die niet stilzit. Zo publiceert hij met enige regelmaat dichtbundels in het Fries of Nederlands en heeft hij naam gemaakt als podiumdichter. Hij studeerde Engels en Fries aan de Rijksuniversiteit Groningen en was betrokken bij de organisatie van literaire evenementen als Dichters in de Prinsentuin en de Poëziemarathon (beide in Groningen). Hoewel hij waarschijnlijk het bekendst is door zijn voordrachten, heeft Bruinja in de ruim tien jaar dat hij actief is als dichter ook op andere fronten flink aan de weg getimmerd. Zo was hij als recensent verbonden aan Trouw, het tijdschrift Awater (waarvan hij ook redacteur is) en de sites boeken.vpro.nl en ietsmetboeken van de NPS. Daarnaast heeft hij verschillende bloemlezingen samengesteld, waaronder een bundel met moderne Friese poëzie, Droom in blauwe regenjas. Ook nam hij in 2008 zitting in de jury van de Jo Peters Poëzieprijs (waarvoor hij met zijn debuut Dat het zo hoorde ook genomineerd was) en de P.C. Hooftprijs.

In zijn gedichten behandelt hij klassieke thema’s als liefde en dood, maar schuwt hij ook het experiment niet. In zijn sterk associatieve poëzie zonder interpunctie en hoofdletters laat Bruinja de lezer zelf leestekens plaatsen en bepalen waar de ene zin ophoudt en de ander begint. Hij gunt de lezer een openhartige blik op zijn kindertijd, al dan niet mislukte liefdes en zijn stille wens om vader te worden. Ondertussen ziet Bruinja geen reden op te houden bij de landsgrenzen. Er verschenen vertalingen van zijn werk in onder meer het Afrikaans, het Arabisch en het Engels. Ook treedt hij regelmatig in het buitenland op, zoals in België, Duitsland en Engeland.

Meer over het werk van Bruinja zie de site van de Koninklijke Bibliotheek waar ook bovenstaande informatie is overgenomen. (2012) Of kijk op de uitgebreide website van de dichter.

Tsead Bruinja – terwijl ons haar dunner wordt 

terwijl ons haar dunner wordt
en in de bomen de apen lachen

terwijl we steeds vaker het dak op moeten
om de weggewaaide pannen terug te leggen

terwijl ons haar dunner wordt
en de apen in de bomen lachen

terwijl de dokter ons vaker ziet zitten
in de snotterige en kuchende wachtkamer

terwijl de apen lachen

terwijl de één na de ander sterft
en zijn daden niet meeneemt
het graf in

blijven de apen jong
en lachen

terwijl de boeren en scheten
je overal heen vergezellen
en je darmen en longen slijten

terwijl het beschutte plekje
onder de bomen
lokt

lachen de apen
om de kracht die wegglipt
uit je appelschillende
handen

je kijkt haar aan
en je kijkt anders naar de grond
terwijl dit alles

wordt de honger van de apen
groter

terwijl het vergeven verschrompelt
en woede alleen maar vervelt

lachen de apen
blijft de woede jong

N.B. Dit gedicht verscheen in de oorspronkelijk tweetalige (Fries en Nederlands), op krantenformaat uitgegeven bundel Angel (2008). De zin ‘wylst de ferjeffenis ferskronfelet’ is daar vertaald als ‘terwijl je vergevingsgezindheid verschrompelt’ . De vertaling ‘terwijl het vergeven verschrompelt’ komt van de website van de dichter. Tsead Bruinja gebruikte dezelfde vertaling op zijn weblog, toen hij hier naar een proefopname van het door ons gezongen gedicht verwees)

Het gedicht ‘terwijl ons haar dunner wordt’ 

Bruinja maakt vrije verzen maar wel met een strakke structuur. In dit gedicht blijven de apen, als een refrein, in de bomen lachen. Het leven is vergankelijk, doch de apen lachen. De verteller is zelf betrokken bij het gebeuren. Ons haar wordt dunner, zo meldt hij (of zij?) en wij zitten bij de dokter. De korte strofen schetsen het verlies van het ouder worden – gezondheid die achteruit gaat – om dan over te gaan in een beschrijving van wat blijft: misschien de liefde (je kijkt haar aan) en in ieder geval de woede, die jong blijft. De weggewaaide pannen staan los van ziekte maar versterken wel het beeld van lichamelijke aftakeling. Ook beppe oftewel oma, die aan de keukentafel appelen zit te schillen, voelt de kracht uit haar handen wegglippen.

De lachende apen zijn het steeds terugkerende motief. We kunnen ons natuurlijk afvragen wat dit betekent; wellicht wordt de sluier later opgelicht. Laten we eerst eens kijken naar de taal. Beide versies zijn ritmisch en klankrijk. De Friese wint het evenwel wat betreft melodie en krachtige resonantie. De tweeklanken waaraan deze taal zo rijk is, dragen hieraan in niet geringe mate bij.

En dan nogmaals de apen. Hun gelach kan worden opgevat als bespotting van ons getob. We kunnen ook aan iets anders denken. In sommige culturen zijn apen symbool van wellust: de apen blijven jong. De begeerte wordt zelfs groter, want terwijl je machteloos naar je geliefde kijkt, neemt het verlangen toe, wordt de honger van de apen groter. Vergevensgezindheid, daarentegen, vervelt, ver- schrompelt. Voor deze Bijbelse houding is geen plaats meer in een wereld waar de woede haar kracht houdt, jong blijft. Een wereld waar jeugd en liefde niet veilig zijn voor aantasting, ook niet op een beschut plekje

(analyse van Fonger Boontjes, zie hier.)