Willem Kloos

Willem Kloos (1859 -1938) debuteerde als dichter in 1880 in het tijdschrift Nederland. Hij leerde tijdens zijn studententijd een andere veelbelovende dichter kennen: Jacques Perk, en gaf na diens voortijdige dood in 1881 zijn Gedichten uit. De door Kloos geschreven ‘Inleiding’ is in de literatuurgeschiedenis bekend geworden als het manifest van de Beweging van Tachtig, een Beweging die vaker kortweg ‘De Tachtigers’ genoemd wordt. Tot de Tachtigers behoorden onder anderen ook Lodewijk van Deijssel, Herman Gorter en Frederik van Eeden.

Deze groep dichters was actief van circa 1880 tot 1894 en betekende voor Nederland een revolutie in poëtisch opzicht. De Tachtigers hadden een duidelijke hang naar de Romantiek. Hun gedichten kenmerkten zich door individualisme, opstandigheid, en natuurliefde. De dichtkunst had voor de Tachtigers vooral een esthetische functie (l’art pour l’ art); beeldspraak en zeggingskracht moesten vooral oorspronkelijk zijn. Vorm en inhoud waren één.

Willem Kloos – Van de Zee

Aan Frederik van Eeden

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel, in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet.

Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd om, en keert weer waar zij vliedt;
Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O Zee, was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,
Dan zou ik eerst gehéél en gróót gelukkig zijn;

Dan had ik eerst geen lust naar menschelijke belustheid
Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;

Dan wás mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nóg grooter zijn.

uit: Verzen, Amsterdam, W. Versluys, 1894)

Het gedicht ‘Van de Zee’

Een uitgebreide bespreking van het gedicht door P. Kralt staat in het Tijdschrift voor Letterkunde 104. Hieronder nog enkele opmerkingen:

De beginregel, met het herhaalde “de zee”, is klassiek en daarom opgenomen in het Cultureel Woordenboek. Een middelbaar scholier schreef kortweg over dit gedicht: “Dit is een gedicht met een vergelijking. De zee wordt verheerlijk en zo wil de schrijver van dit gedicht ook zijn. De zee wordt prachtig beschreven. Ze wist zichzelven af in eeuwige verreining en dan wil de ik-persoon in dit gedicht ook. Zijn ziel moet als een zee zijn. Dat vind ik een mooi streven. Rein zijn.”

P. Kralt schrijft in het tijdschrift Literatuur: :”Het sonnet ‘Van de zee […]’ (XXXV) is een verheerlijking van het Onbewuste. Dit is het religieuze beginsel dat waarschijnlijk ook aan het sonnet ‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’ ten grondslag lag. Het wordt, via het beeld van de zee, voorgesteld als de wenende en lachende Mens: de zee zingt een eeuwigblij en eeuwig-klagend lied.”

‘Van de Zee’ is een sonnet. Een sonnet heeft normaal gesproken een jambisch metrum. Een jambe is de combinatie van een onbeklemtoonde en een beklemtoonde lettergreep. Meestal bevat iedere regel van een sonnet vijf beklemtoonde lettergrepen, om en om afgewisseld met onbeklemtoonde (dus vijf jamben, dat heet de jambische pentameter. De versregels in ‘Van de Zee’ bestaan uit zes jamben; men heeft wel gezegd dat Kloos dat gedaan heeft om de ‘eindeloze deining’ langer te doen lijken.

Er zijn verschillende kenmerken van de Tachtigers in dit gedicht te vinden. Naast het individualisme en de natuurbeleving zien we ook invloeden van het literair impressionisme, met als kenmerkend voorbeeld het gebruik van een neologisme als ‘zelfgerustheid’.

Kees Fens schreef in 1995 in de Volkskrant: “Een van de oude poëzieregels die wat gemummificeerd in het Nederlandse geheugen voortbestaan, is: ‘De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining’, van Willem Kloos. (Een wat merkwaardige waarneming, want ‘klotsen’, die wat heftige korte-afstandsbeweging kan moeilijk samengaan met het brede, trage ‘deinen’). Ik herinner mij dat Hubert Michaël, die in 1965 het boekje Willem Kloos – Zijn jeugd, zijn leven publiceerde (een verzameling biografische detective-verhaaltjes zonder oplossing), het diep betreurde niet te kunnen achterhalen of Kloos in het door Michaël bedachte jaar van ontstaan van ‘Van de zee’ in Zandvoort verbleef. Dan zou het sonnet daar geschreven kunnen zijn! Het ontbrak er nog maar aan dat de gemeenschappelijke beginletter van ‘zee’ en ‘Zandvoort’ als argument werd gebruikt.”

Niet iedereen vindt dit een mooi of zelfs maar geloofwaardig gedicht. Hans Groenewegen schrijft in een artikel over de zee bij Perk, Gorter en Kloos:
“Willem Kloos spiegelt zijn kunstenaarsziel aan de zee. Hij schrijft in zijn bekende eindeloze-klotszee-sonnet zowel zee als ziel beide met een hoofdletter. Uiteindelijk krijgt zijn ziel toch wel de allerhoofdste letter. Het geeft aan dat zijn gedicht vooral een gedachteconstructie is. De gedachte is aan het beeld opgelegd. Een zee weerspiegelt niet. Zij kaatst. Binnen de gedachteconstructie is bovendien het weerspiegelingsbeeld in de eerste acht regels, in het octaaf, inconsequent. Je vraagt je af of Kloos ooit de zee van dichtbij heeft gezien. Hij heeft geen oog voor haar bijzonderheden. Zijn zee is meer een zwembad. Zeeën klotsen zelden en nooit eindeloos.

Vanuit metrisch oogpunt is het gedicht eveneens nauwelijks zeewaardig. Als je het hardop hebt gelezen, weet je zeker dat Willem Kloos nooit heeft gevaren, nooit in zee heeft gezwommen. Is hij er ooit in geweest, dan waarschijnlijk op een windstille dag met net tot onder de knieholten opgerolde broekspijpen. Die niet nat werden. Zijn zesvoetige jambe stampt als het golfslagmachientje van het Noordzeetje in Madurodam. Het machientje kent wellicht even een iconische hapering in de zesde regel, een mogelijke stuwing van accenten. In het sextet maakt Kloos nog wel gebruik van antimetrie. Accenten komen op het woord ‘dan’ te liggen. Dat woord heeft een belangrijke functie in de argumentatieve opbouw van het gedicht. Die krijgt daardoor de nadruk. De onregelmatigheid van het metrum heeft geen functie in het schilderen van het juiste muzikale beeld van de zee.

Als effect van dit alles is de zee bij Kloos een dor beeld, waarin grote begrippen als schoonheid en eeuwigheid en ziel droogvallen.”