Ida Gerhardt

Ida Gerhardt (1905-1997) was lerares klassieke talen en debuteerde als dichteres in 1940 met de bundel Kosmos. Ze publiceerde zo’n twintigtal dichtbundels en kreeg daarvoor in 1979 de P.C. Hooftprijs.

Meer informatie over Ida Gerhardt op de site van de Koninklijke Bibliotheek.

gerhardtIda Gerhardt – Het carillon

Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, –
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ‘t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius : – een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’

En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luistr’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad –
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

                                    Oorlogsjaar 1941

Uit: Verzamelde gedichten 1980; oorspronkelijk uit Het veerhuis 1945)

Het gedicht ‘Het carillon’

Ida Gerhardt woonde in 1940 in Kampen waar ze klassieke talen onderwees en hoorde daar mogelijk het carillon van de Nieuwe Toren een lied uit de Nederlandtsche Gedenck-clanck van Valerius spelen. Valerius’ Gedenck-clanck is een verzameling geuzenliederen uit de Tachtigjarige Oorlog. Het bekendste lied uit de bundel is het ‘Wilhelmus’. Zo’n vaderlandslievend lied mocht de beiaardier natuurlijk niet spelen, maar het religieuze lied ‘O Heer, die daar des hemels tente spreidt,’ met onder andere de regels ‘wij slaan het oog, tot U omhoog / die ons in angst en nood, verlossen kondt’ roept bij de dichteres toch sterke vaderlandslievende gevoelens op.

Meer over Ida Gerhardt en de rol van de Tweede Wereldoorlog in haar poëzie staat in het tijdschrift Literatuur.

Hieronder een schools vragenlijstje over dit gedicht (het komt dan ook uit een schoolboek), maar het geeft wel wat aardige aandachtspunten bij het gedicht:

1 In de eerste strofe wordt gesproken over ‘hun armoe en hun grauw gezicht’. Waardoor zagen de mensen er zo uit?
2 Hoe kwam het dat er ‘een vleug van licht’ over de gezichten van de mensen streek?
3 Welke antithese staat er in deze eerste strofe?
4a In regel 6 wordt het geluid van een van de klokken omschreven. Hoe klinkt de klok die de uren slaat?
4b Door welke klank in deze versregel wordt het geluid van die klok weergegeven?
5 Door welke klank geeft de dichteres het geluid van de lichtere klok weer?
6 Met welke woorden geeft de dichteres aan dat het luisteren naar het carillon saamhorigheid onder de mensen brengt?
7 In regel 9 staat: ‘Valerius’. Waarom noemt de dichteres deze naam hier?
8a In welke tijd schreef Valerius zijn liederen, die gebundeld zijn in de liedbundel Gedenck-clanck?
8b Waarom zullen zijn liederen ook in 1941 de mensen hebben aangesproken?
9a Welke paradox bevat de laatste strofe?
9b Leg uit waarom deze combinatie van begrippen toch mogelijk is.
10 In de derde strofe wordt gesproken over het geluid van een zware klok, dat wordt ‘doorstrooid van lichter sprankelingen’. Stel je voor dat jij de beiaardier bent. Geef boven de woorden in het gedicht aan of je daarbij de zware klok of de lichtere klok zou laten horen. Zet een streepje boven de woorden waarbij je (vooral) de zware klok zou laten horen, en een sterretje boven de woorden waarbij je (vooral) de lichtere klok zou laten horen.